08 juni 2012

Het nieuwe uitzicht


Het nieuwe uitzicht. Overdag, tussen het werken door. De tuin die daar ligt, diep beneden. De planten, de serre. De mensen die op de trappen lopen. En de wolken. Hoe ze veranderen. En de vliegtuigen die hun bocht maken. Het is er allemaal. Rustig en beschikbaar. Bekijkbaar. En zo wachtend, op een of andere manier.

Soms duurt het even eer je weet waar je bent, ’s morgens vroeg bij het wakker worden. Je zou nog wel even in die droom willen blijven, net nu je zo dichtbij was. Hoe zit het juist? Kom je terug naar iets? Of vertrek je van iets? En is dat te weten?

Dat de anderen er zijn, soms moet je eraan wennen. Ze zijn zo veel, alleen al in hun aanwezigheid. Je kijkt, en ziet hoe mooi ze zijn. Hoe verhaal ze zijn. Ze herkennen je, zomaar. Het doet goed om in hun buurt te zijn. En hoe onvoorbereid je daar telkens op kunt zijn.

Je probeert met een vloeiende beweging al dat glas zo snel mogelijk van het fietspad af te krijgen. Alles moet weg.

En het falen. Dat je er nooit genoeg bent voor de anderen. Zij die je lief zijn. Soms denk je er niet aan. Soms wel.

De mevrouw die naast je zit tijdens de conferentie. En het mooie Frans dat ze spreekt. Je doet of je niet verlegen bent. Soms ontsnappen de woorden je, in het Frans. Soms is dat omdat je te moe bent.

Soms ben je niet opgewassen tegen vriendschap. Wat je zou willen kunnen doen. Alles wat je machteloosheid overstijgt. En wat je niet gezegd krijgt. Hoe je anderen zou willen kunnen beschermen tegen alle onheil van het hele universum, minstens. Je leert het nooit.

De man op de trein vraagt of hij je krant even mag lezen. Je hebt er tenslotte toch drie bij. Je betrapt jezelf erop dat je toch even aarzelt, een fractie van een seconde. In het kader van de innerlijke dialoog wijs je jezelf erop dat die woorden daar anders toch maar zouden liggen, of zo. En dat je gul moet zijn, dat je je niet moet hechten aan aardse dingen. Dat dat allemaal wel klopt, maar dat je toch ook graag jouw kranten in de buurt hebt. Bekijkbaar.

De planten op het terras groeien lustig verder. Alsof het allemaal zomaar mag.

Je hoort een verhaal over weer op beide benen staan. Zonder krukken. Voor het eerst sinds lang. En hoe gelukkig je bent dat te horen. Je zou het willen uitroepen. En de tranen.

Als iemand je zou vragen het uit te leggen, je zou het niet kunnen. Waarschijnlijk.

Zou je te ver weg zijn altijd? Zou je dichtbij genoeg zijn? Zou je bekijkbaar zijn, wanneer het moment daar is?

De man die naast je in de lift staat, ziet eruit als een ambtenaar. Denk je. Er zijn veel spiegels in de lift. Je bekijkt jezelf. Om te zien of jij eruit ziet als een ambtenaar.

Een man komt bij je staan tijdens het feest in het park. Hij zegt dat je eruit ziet als een professor. Het zou iets met het haar te maken hebben. En dat het zo grijs is, en zo. Hij heeft iets te veel gedronken, waarschijnlijk.

En de verzoening met het falen. Dat ook nog natuurlijk. Ook daarin kun je falen.

2 opmerkingen:

Uvi zei

"Je leert het nooit."

Ik hoop dat je het nooit 'afleert', Jan.

Mooie dag nog, Professor.

Jan Mertens zei

Ik zal mijn best doen Uvi. Nog een mooi weekend voor jou.