05 april 2013

Het huis is weg

Je stapt uit de bus, en je ziet het. Het huis is weg. Het huis aan de andere kant van de straat. Je wist al wel dat het zou verdwijnen, maar het doet je toch even schrikken. Je ziet een lege plek, de afwezigheid van het huis. En je blijft even staan kijken. Alsof je iets zou zien in die leegte. Nee dus.

Het was het huis aan de overkant. Het huis van je grootouders.

De baksteen op de kolenkachel. En dan een gestreepte handdoek eromheen. En zo mee het bed in voor je voeten. Als je zus mee in het bed lag, verdween die steen al snel. Naar ergens. Dat huis was het dus.

De sleutel van de voordeur van je grootvader. Hij leek altijd in het midden door te zullen breken, daar was een diepe inkeping. Je moest die sleutel in het slot steken, voorzichtig, en dan een beetje terugtrekken, voorzichtig, voor je kon draaien. En dan ging de deur open. Het was een zware deur. En dan zag je die tegeltjes in de gang. En was er die geur van het huis. Aan het einde van de gang zag je al het licht achter de binnendeur. Met het geribbeld glas erin, in een soort purper. Je liep dan door de donkere gang, deed geen licht aan, op weg naar dat licht.

Dat het huis daar gewoon altijd zou kunnen zijn, dat kon je niet vragen natuurlijk. En toch. Als. Gewoon het weten. Zoals je weet dat iemand in de buurt is, ook al zie je hem of haar niet.

De rode loper op de trap. Met van die klemmen. Op de trap naar de tweede verdieping lag geen loper. En in het halletje op de eerste verdieping was ooit nog een tussendeur. Naar het huis daarnaast, van Mathilde en Nelles. Julia en Fons aan deze kant. Op een ochtend is Fons van die trap gevallen. Misschien was er even iets niet meer. Een afwezigheid van iets. En hij viel. En enkele weken later zou hij er niet meer zijn. Hoe hij daar lag in het ziekenhuis. Zijn armen vastgemaakt aan het bed, en telkens trok hij alles weer los. Tot zijn kracht langzaam ging liggen. In zijn hoofd ontrolde een heel leven zich opnieuw. En hij zag je, en zei: ik ga slapen, oppassen bij het oversteken van de straat. In zijn hoofd was hij in het huis, nog altijd. En dat leek je wel een veilige plek voor hem, daar in dat vreemde ziekenhuis, waar hij zo vooral niet wilde zijn. Dat huis.

En je grootmoeder. Ze lag in het bed, in de voorste kamer. Ze lag weg te kwijnen, zo leek het. Zo dacht ze dat het was. En je vroeg haar om een sprei te haken voor jou. Ze zei dat ze dat niet kon. Je zei dat ze dat wel kon, en dat ze moest beginnen met een klein stukje, een lapje. Zoals ze vroeger zo vaak had gedaan. En uiteindelijk deed ze het. En de sprei ligt nog altijd bij je in huis. Je kunt er nog elke dag naar kijken. En zij bleef leven, nog heel lang. Dat huis.

Soms ben je al bang dat je het gezicht van iemand die je graag ziet in je hoofd zou kunnen verliezen. Soms kijk je zo lang naar iemand, als om een herinnering te maken. Als om zeker te zijn dat het zo diep in je hoofd wordt geschreven dat het daar nooit meer weg zou kunnen. Zou het kunnen, dat het huis weg zou gaan uit je hoofd? Dat mag niet. Ook niet.

En het koertje achter het huis. Naar het werkhuis, waar hij met het hout werkte. Het kleine hok. Waar ooit de kolen lagen, en later de mazouttank was gekomen. Daar stond je fiets. Samen met die van je grootvader. Voor als jullie samen gingen fietsen. En voor gewoon. Het was een veilige plek. Wel een beetje klein, maar dat gaf niet echt. En als jullie samen gingen fietsen, dan was het naar de bruggen. De bruggen over de autosnelweg, toen nog de E10. Daar waar je als kleine kleuter had staan wuiven met een vlaggetje, toen de snelweg werd ingehuldigd, wat wou zeggen dat er een bus voorbij kwam rijden waar de koning in zat. Zei men. Die bruggen. Jij ging er sneller op, en sneller af dan hij deed. Maar zo hoorde dat, ongetwijfeld. En als jullie weer thuiskwamen, dronk hij een flesje Babycham, en dan kreeg jij ook een glaasje, een kleintje. Dat huis.

(Misschien ben je wel gelukkig geweest in dat huis. Dat mag je alleen fluisteren. Anders zou het verdampen.)

Het er niet zijn, het er niet meer zijn. Dat is een lege leegte, geen volle leegte. Denk je.

Daar waar het huis was, zal een nieuw gebouw komen. Er zullen nieuwe mensen komen wonen, voor wie het een nieuwe plek is. Een plek. De eigenschap van een plek is dat het een punt kan worden in de kaart van je hoofd. Misschien zullen de kinderen, de kleinkinderen van de mensen die er zullen wonen ooit terugdenken aan die plek, en aan alle verhalen die erbij horen. De plek waar het huis stond is door de vier seizoenen gegaan, dat zou het kunnen zijn. Als je zelf aan het einde van je leven in het bos gaat liggen, dan zal je lichaam uiteindelijk weer herleid worden tot dezelfde bouwstenen als al het andere. En ergens, in iets anders, zullen die stukken weer iets opbouwen. Zo ongeveer moet het mysterie in elkaar zitten: dat alles steeds verandert, dat alles in een permanente staat van worden is, en net daardoor ook een zijn. Dat die eindeloze beweging zichzelf als het ware opheft. Misschien is er wel geen verlies, zoals de heks je ooit zei, in dat gedicht, dat ook in het boek staat. Iets in die aard zou ook met die plek kunnen gebeuren. Die ene plek verdwijnt, wordt een andere plek, in andere verhalen, steeds weer. En eigenlijk is er zo iets dat nooit verloren kan gaan, al zal het je altijd ontsnappen. Zou die gedachte je kunnen troosten?

Misschien is het tijd om nog eens naar het zuiden te kijken, en te wuiven.

3 opmerkingen:

Uvi zei

A la Mortier.

Momenteel lees ik 'Godenslaap'.
Maar dit 'huis' is nog mooier dan de tempel van Mortier.

Dit is huis is innig, teder en luxueus sober.
Prachtig, Jan!

Jan Mertens zei

Dankjewel voor de heel mooie reactie Uvi

hilde k. zei

Huizen blijven sterker staan in je hoofd dan mensen, is mijn ervaring. Misschien omdat ze minder veranderen? In ieder geval is het een troost dat we ongehinderd de huizen uit onze jeugd waar we gelukkig waren kunnen binnenstappen en er naar hartelust in kunnen ronddwalen...