07 mei 2011

Rode schoenen

Een vergadering. De bewoners zitten samen in een grote zaal. Ze zien elkaar soms nu pas voor het eerst van dichtbij, en niet enkel van voorbij zien lopen door het raam. Afspraken worden gemaakt, regelingen getroffen. Toch wel een beetje bijzonder. Dat zijn de mensen die op deze plek wonen. Het maakt je een klein beetje verlegen en verward. Sommige punten zijn interessant, en het is boeiend te zien hoe mensen reageren. Sommige punten zijn ingewikkeld. Denken dat alle anderen het wel zullen begrijpen lijkt ook een beetje te hoog gegrepen. Sommige punten zijn een beetje raar. Een reglement met interne afspraken. Er staat een bepaling in die zegt dat op terrassen geen wasdroogrekjes zichtbaar mogen zijn. Je begint te twijfelen aan jezelf, en vraagt even rond bij andere aanwezigen of zij de zichtbaarheid van wasgoed misschien toch echt vervelend vinden of zo. Je denkt er later nog lang over na. Wat zou de diepere reden daarvoor zijn? Dat mensen willen dat alles een beetje netjes blijft, en dat je dat best samen goed afspreekt, dat is niet meer dan normaal. Maar wat zou er kunnen storen aan het zien van wasgoed van een ander? Zou het besef dat een andere mens ook een onderbroek zou kunnen hebben op een of andere manier vervelend kunnen zijn? Zou het minder vervelend zijn als ze dat droogrekje binnen zien staan, zoals bij jou het geval is, voor het raam van de slaapkamer? Het had je trouwens nog een lichte glimlach van vertedering opgeleverd toen je bij een van de buren een droogrekje zag staan op het terras. Maar misschien ben je ook wat dat betreft wel wat abnormaal.

Een grote conferentie. Je zit al goed op tijd in de zaal, zodat je een mooi plekje hebt. Niet te ver naar voor, zodat je het met een beetje afstand kunt bekijken. Aan de hoek van een rij, zodat je je rugzak goed kwijt kunt naast de bank. Tafeltjes met een monitor en microfoons en een in de hoogte verstelbare stoel. Het komt nog in orde. Tot je ineens alle camera’s ziet die op jou gericht lijken, tot je ineens ziet dat alle stoelen in de rij voor jou gereserveerd zijn. De camera’s in het midden van de zaal blijken gericht te zijn op een nog lege stoel op de eerste rij recht voor jou. Daar zal de prinses plaatsnemen, zo blijkt. Je beseft dat het gangetje naast jou de ingang is die zij zal gebruiken om de ruimte binnen te komen als een heel trosje veiligheidsagenten de zaal betreedt. Ze zullen op de stoelen voor jou gaan zitten, met hun oortjes, hun kabeltjes, hun mooie pakken en de gel in hun haar. Er is enig geschuifel. Iedereen staat recht. De prinses loopt vlak langs jou voorbij, in wat men een beeldig ensemble zou kunnen noemen. Een mooi mantelpakje, gedeeltelijk in een heel fris rood. Ze heeft een heel kleine handtas, in hetzelfde rood. Je vraagt je af wat daar allemaal in zou kunnen zitten. Veel meer dan een bril, een potlood en een rolletje muntjes kan er toch niet in, denk je. Maar ook bij een prinses, net als bij alle andere vrouwen, zijn de wegen van een handtas ondoorgrondelijk, ongetwijfeld. Als ze de zaal na een uurtje weer verlaat, en weer langs je heen schrijdt (gewoon gaan doen prinsessen namelijk niet) vallen haar mooie rode schoenen op, in dezelfde kleur als het handtasje. Ze blijven de rest van de dag nog door je hoofd gaan. Later vraag je je nog af of je in het gewone leven, daarbuiten, eigenlijk wel genoeg naar de schoenen kijkt. Misschien lopen er wel permanent beeldige schoenen zomaar aan je voorbij, zonder dat je ze zag. Die gedachte fleurt je brein even op, waardoor je even je irritatie over de speech die ondertussen bezig is kunt vergeten.

Een congres. Je kijkt rond in de zaal. Later zal blijken dat je wordt genoemd als een van de “plus-33-ers”. Wat een wonderlijke gedachte. De benaming wil zeggen dat je dus oud bent, bij deze groep die jong is. En toch voelt het aan alsof je jongoud bent, wat toch een zekere mate van subtiele frivoliteit teweegbrengt ergens achteraan in je hoofd, goed verstopt. Je ziet mooie mensen. Je zou het ook willen zeggen, maar doet het andermaal niet. Ze verbazen en ontroeren je, met hun ernst en gedrevenheid. Ze werpen zich in discussies over fiscale regelingen waarvan jij, toen je zo oud was, niet eens zult geweten hebben dat ze bestonden. Ze zijn soms streng voor elkaar, houden zich strikt aan regels en willen niet te veel toegeven enkel om iemand gunstig te stemmen. Ze zijn ook grappig, en bestrijden elkaars standpunt voorzichtig, soms op fluwelen wijze. Ze hebben soms een rustige zakelijkheid die jou nooit zal bereiken waarschijnlijk. Je denkt iets over andere generaties. Toen jij bij de partij kwam waar zij nu hun weg in zoeken, moesten velen van hen nog geboren worden. Die gedachte ontroert je weer, zoals eerder. Als je later tussen hen loopt, laat je niet zien dat je eigenlijk een beetje verlegen bent. Je doet je best om je jongoud te blijven voelen de rest van de dag, maar je weet niet of het helemaal zal lukken.

Geen opmerkingen: