24 maart 2013

Als je weg bent


Was het maar de sneeuw. Je zag het al, onder de rand van het gordijn van de slaapkamer. Je rolt het nooit helemaal tot beneden. Om een of andere reden, die wel zal te maken hebben met ooit. Je zag het al, een witte aanraking. En even aarzelde je nog. Alsof je wat daar was, daar zou zijn, dat was wel duidelijk nu, alsof je wat daar was, kon uitgommen. Door het gordijn niet op te rollen. Zondag is een slechte dag voor zelfbedrog, dat wist je al. Was het dus maar de sneeuw, dacht je later, die je de schuld zou kunnen geven.

Je kunt veranderen in de tijd die je gebruikt. Tussen heden en verleden. Al gaat het over dezelfde herinnering. Zou ze zo meer of minder dichterbij komen?

Je had je iets anders voorgenomen voor die ochtend. Iets met vrede en verzoening. Dat dacht je toch, met terugwerkende kracht.

Misschien zou het ritueel van het optillen van de sneeuw wel helpen. Het verleggen, van hier naar een beetje daar. Daar genoeg. En het bevrijden van wat onder de sneeuwhuid was gebleven, die nacht.

Misschien zou werken wel helpen. Dat boek dat daar ligt te wachten. Je moet het gelezen hebben tegen volgende week, omdat je er dan iets zinnigs over moet kunnen zeggen. Het leidt vooral tot iets als verzet. Zoals wanneer je de geur van iemand niet in je buurt wilt.

En het heen en weer lopen. Hoe je jezelf zag staan met je handen bij de verwarming, met je hoofd boven de verwarming. Maar een letter verschil met verwarring.

De rusteloosheid van die zondag. Iets deed pijn, iets ging niet weg. Dat je het aan de sneeuw kon wijten, was al even weggesmolten als die witte traagheid.

Als je de vraag zou hebben gekregen, die over je ogen, zou je gezegd hebben dat je weer te weinig had geslapen. Wat op zich ook waar was, natuurlijk. Het dekentje hielp niet.

En zo liep je weer heen en weer. Op zoek naar woorden.

En zo kwam je weer bij dat andere boek. Over die mevrouw. Schrijfster en filosofe, of omgekeerd. Het boek bleef door je hoofd gaan, of was het die mevrouw. Die je overigens nooit in het echt had gezien. Hoe dicht kun je bij iemand komen, hoe dicht mag je bij iemand komen. Wanneer je een boek schrijft over iemand die ook over die vragen schreef, kun je niet anders dan bij schroom uitkomen. De schrijfster over de schrijfster, de lezer over de schrijfster. Ze cirkelen om elkaar heen. En als je de vraag zou hebben gekregen, leg eens uit wie zij was, waarom ze je fascineerde. Je zou niet hebben kunnen antwoorden. Dat ze over de liefde schreef, zou je misschien zeggen. Al zou je niet helemaal zeker weten of dat wel het goede antwoord was. En wat je dan met de troost moest doen.

En weer liep je heen en weer. Naar de boekenkast in de slaapkamer. Waar de boeken staan van die mevrouw de schrijfster. Je wou nog een stukje opnieuw lezen. Je wou meer woorden lezen van haar, niet enkel over haar. En graag wou je ook nog, als dat had gekund, haar stem horen.

En hoe je van de woorden weer naar een andere plek kunt schuiven.

Soms ben je bang. Iemand die je dierbaar is, die verblijft in je hoofd. Je ziet een gezicht. En hoe meer je kijkt, hoe minder je ziet. Je ziet ogen, je ziet huid, je ziet een mond. En terwijl je kijkt, begint het beeld te verschuiven naar een ander beeld, met dezelfde ogen, dezelfde huid, dezelfde mond, en toch anders. En je probeert die beelden bij elkaar te houden, je probeert die iemand niet te verliezen in je hoofd. Maar wat je wil bewaren, het ontsnapt je altijd weer.

Het was een zondag die je handen koud achterliet. Het was niet anders. En misschien kon een voornemen je redden. Zoals: Bach bij het schrijven. De piano die je met het vertrouwen van wat een zondag zou kunnen zijn zou zeggen: er is wel een plek. Waar de rusteloosheid verdwijnt.

Het was niet de sneeuw. Er waren alleen de woorden om dat vast te stellen. Zo naakt moet je zijn, waarschijnlijk.

3 opmerkingen:

Uvi zei

Het was in de tijd dat 'Leuven literair' nog bestond.

'Een verlangen naar ontroostbaarheid'.

"oktober 1994,
Van harte opgedragen." schreef zij in haar boek.


Tja, aan wie?
Aan de prof die ik jaren later leerde kennen als een schuw man? En met wie ik nu en dan een woord wisselde.

Ik zag in het restaurant hoe een Radio3-man rond haar cirkelde als een biddende klamper. Tevergeefs.
De prooi liet zich niet verleiden.

En toen zij een college gaf, die dag, en ik haar zo frêle zag zitten achter het katheder, tja, toen werd ik heimelijk verliefd op haar.

En volgde de schrijfster tot achter een pilaar in Nederland bij de AKO-prijs ...

tja, toch begreep ik haar niet, toen zij, de gewaande onverschillige ijskoningin, plots 'mijn' beschroomde prof,
zijn hoofd voor de guillotine legde...

TAO bleek niet voldoende om dàt te voorkomen. Spijtig... toch.


PS.
Zou 'het witte paard' op de cover weggesprongen zijn
uit 'Nachtboek van een slapeloze' pag.60 ?

'Het onverwachte antwoord' kan ik elke dag opnieuw lezen...

Dag Jan.

Jan Mertens zei

Misschien was ze wel niet te begrijpen, dat dacht ik na het lezen van dat boek over haar...

Uvi zei

een mens dus ...