20 maart 2013

Een ochtend op de berg

Die ochtend ben je al vroeg wakker. Je ligt te draaien in je bed. Je denkt aan mensen die je dierbaar zijn. Aan wat je hun nog zou moeten zeggen. Het is niet anders. Die onrust zal je nooit verlaten.

Het is als een jaarlijks weerzien. En toch. Het is anders nu, al weet je niet helemaal zeker waarom dat zo is. Het ging door je hoofd de voorbije weken.

Goed op tijd fiets je naar de berg. Even sta je te wachten aan de verkeerslichten onderaan, daar waar de berg nog moet beginnen. En even denk je terug aan die ochtend, zoveel jaar geleden, toen je hier stond, klaar om de berg op te fietsen, en toen het ineens niet meer ging.

Je komt het grote gebouw binnen. Nummertje A212. Je bent al snel aan de beurt. Eerst achter de hoek daar, en straks de blauwe pijl.

Je bent iets te vroeg. En dat is goed. Drie bekers meneer, binnen een uur, om de twintig minuten een. Moet je dan die hele twintig minuten gelijk onderverdelen in kleine slokjes? Of moet er telkens tien minuten tussen tien minuten drinken zijn?

Je leest verder in het boek dat je erg raakt. Het boek over die schrijfster en filosofe. En haar ontroostbaarheid. Het lijkt te passen bij deze dag.

Je bent aan de beurt. Je mag gaan liggen op die lange tafel. Drie mensen komen je vragen of je dit onderzoek ooit al eens eerder hebt gehad. Ja, dus. En of je weet dat men iets in zal spuiten waar je het een beetje warm van zult krijgen, wat dus normaal is. Ja, dus. En dat je van dat product eigenlijk ook erg moet plassen, maar dat je toch moet blijven liggen. Euh, ja, dus. Die armen naar achter plooien. Zat die ene schouder maar wat losser, hoe moet je dat nu doen met die lange armen? In de machine begint er iets rond te draaien. Alsof je op zou kunnen stijgen. De machine, en die mensen ook dus, kijken nu in je lichaam. Zouden ze al je geheimen zien? Zouden ze zien aan wie je nu denkt?

Dat dat toch niet helemaal lekker ligt, denk je. Misschien komt het door het boek. Maar je denkt aan de liefde.

De coassistent heeft een klein stukje papierachtige stof op het gaatje geplakt waar die naald daarnet nog in zat. Daarvoor heeft hij bijna een halve meter plakband gebruikt, minstens. De verpleegster kijkt beleefd toe, en denkt er het hare van. Niet iedereen kan even handig zijn natuurlijk.

Geuren. Terwijl je hier ligt, komen herinneringen aan allerlei geuren terug naar jou. Hoe het rook in die kamer waar het gif in je arm druppelde. Hoe het rook in de operatiekamer.

Je mag van de tafel, en je kunt vertrekken naar ergens boven, aan het einde van de blauwe pijl. Ook daar zul je te vroeg zijn.

In de lange gang zit je te wachten. Altijd wat zenuwachtig. Hoe moet je dat doen als ergens ineens je naam wordt geroepen? Hoe ben je dan zo snel mogelijk binnen, met je jas en je boek en je tas? Terwijl je de hele tijd moet gaan plassen (die drie bekers dus). Stel dat men je naam noemt terwijl je even weg bent, is je kans dan voor eeuwig voorbij gegaan?

De jonge assistente roept je naam (je was net weer terug), en je gaat binnen. Dit is altijd het moeilijkste moment. De vragen. Elk jaar destabiliseren ze je. Of het goed gaat? Ja, dus. (Zou je daar echt in detail op moeten antwoorden?) Of er klachten zijn? Nee, niet meer dan anders. (Met het woord klacht kun je niets doen.) Of er het voorbije jaar speciale dingen gebeurd zijn? Dus, of je soms hartkloppingen had, en of je slecht hebt geslapen? (Oeps, moeilijke vraag. Soms ging mijn hart stevig tekeer, en daardoor sliep ik niet altijd goed. Zou ze die informatie graag hebben? En zouden die drie of vier kilo minder sinds vorig jaar daar ook mee samenhangen? Moet je daar iets van zeggen?) Nee, niet meer dan anders, dan maar.

En dan is het tijd voor het gewone onderzoek. Er wordt hier en daar op je lijf geduwd. (Elk jaar zijn dat precies andere plekken.) En ook ingewikkelde vragen. Of je soms last hebt van watervoeten? Watervoeten? Wat zou dat dan wel moeten zijn? Nou ja, gewoon dus, vocht in de voeten. Andermaal voel je je erg dom (wat je natuurlijke staat van zijn is). Geen idee, je denkt het niet.

Even wachten. Je leest terwijl verder, het boek is bijna uit. Je zit nog steeds te denken aan de liefde.

De professor komt binnen. Om wat hij nu gaat zeggen, was het dus allemaal te doen. De resultaten van de scan zijn goed. Er is nog wel geen definitief protocol, maar dat zal waarschijnlijk in orde zijn. Je denkt even na over het woord protocol. En hoe het dan zit met het genetisch onderzoek? Voor de HNPCC dus (dat moeilijk woord). Het onderzoek was negatief. De oorzaak van die hele toestand in je buik was tot nu toe inconclusief (ook een mooi woord) en na dit nieuwe onderzoek is die nog steeds inconclusief. (Je weet niet goed of iets in je lichaam zich nu ontspant. Je weet niet goed welk antwoord je eigenlijk wilde horen.) Maar dat wil niet zeggen dat er geen erfelijke oorzaak kan zijn. Alleen weet men niet, of nog niet, welke dat dan zou zijn. Het kan ook zijn dat je gewoon pech hebt. En het kan ook zijn dat het genetisch defect, de erfelijke afwijking dus bij jou begint. Dat lijkt wel een plausibele verklaring. (Jij bent dus zelf eigenlijk een genetisch defect, je wist het altijd al…)

Je mag nog even terug naar de gang. Je hoort je naam nog eens. Je mag in het kamertje waar twee mevrouwen nog bloed zullen halen uit je arm. In dat kamertje is er altijd een warme sfeer. Je zou er wel wat langer willen blijven. Die mevrouwen zijn ook veel handiger in het dichtplakken van gaatjes in je arm. Zonder twijfel.

Tijd om weer naar huis te gaan. Je denkt aan het goede nieuws dat je toch eigenlijk gekregen hebt, maar het dringt niet helemaal door. Je denkt aan het goede nieuws dat dit is voor je zus. Maar het blijft op afstand. Je denkt ook nog aan de liefde. Maar misschien ligt dat aan dat boek.

Je fietst de berg weer af.

En thuis, terwijl je iets staat te eten, komen ze als een trage golf over je heen, de tranen. Ze zullen de eerste uren niet weggaan. Gelukkig regent het buiten, niemand zal het zien.

Diffuus, zo voel je je. Moet je nu gewoon blij zijn omdat je geen kinderen hebt, in plaats van opgelucht? En waarom lukt het niet om daar blij mee te zijn?

Eigenlijk zou je nu alleen willen zijn, voor de rest van de dag. Al zouden de woorden van sommige mensen wel in je buurt mogen komen.

De vermoeidheid neemt je langzaam over. Je lichaam lijkt op een oude huls. Iets over de tijd die voorbij gegaan is, in dit leven, zou zich kunnen opdringen. Je ziet het komen, het blijft op afstand.

Voor je gaat werken, is er eerst nog het vaste ritueel. Je zoekt jezelf een cadeautje uit. Om jezelf te bedanken. Voor het leven dat gebleven is.

Dat het eigenlijk allemaal goed nieuws is. Het besef moet nog komen, denk je. Nu voelt het nog niet zo.

En toch, deze horde van de week is genomen. Je hoofd kan weer vrij worden voor wat nog gaat komen.

Gelukkig regent het nog. De dingen zullen wel komen, als het tijd is.

3 opmerkingen:

mievb zei

Fijn Jan. De verwarring hoort er bij.
Velen zullen opgelucht zijn met jou.

Uvi zei

Als je weg bent ...
de filosofe heeft geen verlangens meer.
Ze is ook niet meer ontroostbaar.

Gij bent nog hier. En troostbaar.
Blij dat ge er nog bent, Jan.

Mijn vingers schreven 'blijf'.
Ook zij dus ...

dag Jan.

Jan Mertens zei

Dankjewel Uvi voor de mooie woorden. Ik moet nog altijd een klein beetje wennen aan dat blijven, denk ik. En troostbaar, ja, misschien toch maar wel.