29 maart 2013

Kwaad, eigenlijk

Je staat te wachten op de trein weer naar huis. Het weekend kan beginnen. Je zou bijna kunnen wankelen, zo moe ben je. (Je wilt niet denken aan hoe het was, zoveel jaar geleden, toen je hier ook stond te wankelen, echt dan. Je best doen om ergens niet aan te denken is soms de beste manier om ergens wel aan te denken, denk je.) Flitsen van de week komen terug, ze veranderen je adem.

Je hoort een verhaal via een dierbare vriendin. Over die kloteziekte. Die weer heeft toegeslagen bij iemand die je kent. Dat was al eerder gebeurd, en het leek weer goed te gaan. Het leek, zo bleek. Met de nodige genadeloosheid. Het verhaal raast door je hoofd. En zij doet alles wat ze kan, zoals ze ooit ook voor jou deed, samen met anderen. (En zo bleef jij in het leven.) En je zou iets willen kunnen doen. Het hangt een beetje over het mooie concert waar jullie samen zijn. Na het concert durf je amper zeggen dat jij wel goed nieuws kreeg, vorige week. Dat alles lijkt zo futiel. Bijna voel je je schuldig. En de dag nadien blijft het verhaal door je hoofd gaan. En je moet er maar een vraag over krijgen, of daar is ze weer. Je radeloze kwaadheid. Je blijft zo onvoorstelbaar kwaad op die kloteziekte. Dat blijft ergens in je huizen, zal er nooit meer weggaan. En je zou iets willen kunnen doen, het geeft niet wat. Je zult wel iets bedenken.

Die mooie zangeres op het podium. Je zit zo dicht bij haar, je kunt haar bijna aanraken. Dat kortere haar is wel mooi, denk je, als ze op het podium komt. Hoe die jurk juist in elkaar zit, is een raadsel. Ze is een beetje streng. Strenger dan de vorige keren toen je haar zag. Het is misschien gewoon concentratie. Als ze iets vertelt over de liedjes die komen, lijkt haar stem telkens te trillen, heel even. Misschien is ze ook een beetje verlegen. Tijdens dat laatste lied is het alsof er iets opengaat, een extra ruimte nog erbij of zo, je weet het niet. Het maakt jou een beetje verlegen.

De mevrouw in de trein. Is het echt nodig, denk je, dat ze zo hard spreekt in de telefoon? Moeten we allemaal horen hoe ze aan haar dochter uitlegt hoe die al aan het eten kan beginnen? Waar de worteltjes liggen, waar de paprika, waar het vlees in de diepvries. Welke combinaties allemaal mogelijk zijn. Het blijft maar duren. En je schaamt je een beetje. Je bent gewoon erg moe, denk je. Kunt het gewoon even niet hebben. Je wou gewoon even verdwijnen in de verhalen in je krant. Terwijl je je ook gewoon kunt voorstellen hoe dat kleine meisje aan de andere kant van de telefoon, alleen thuis waarschijnlijk, in de keuken met de telefoon staat, en alles doet om het gesprek met haar mama zo lang mogelijk te laten duren. En je glimlacht een beetje.

Midden in de nacht wakker worden. Het lijkt alsof er een knoop in je buik zit, het is niet de eerste keer. Het gaat ook wel weer over. Gewoon wachten, en de rituelen die bij zo’n nacht horen.

De vrouw die je bijna glunderend aankijkt en je ervan probeert te overtuigen hoe goed het is dat jij geen kinderen hebt. Iets wordt een heel klein beetje zwart voor je ogen. Dat dat niet goed is, roep je bijna. (Terwijl je denkt dat je dat eigenlijk niet zou mogen doen op die manier.) Dat het helemaal niet goed is, dat het integendeel jouw verdriet is, zeg je, roep je. (Terwijl je je afvraagt of je dat eigenlijk wel op die manier moet prijsgeven als iemand je zoiets zegt. Of je dat in die woorden niet moet houden voor andere mensen.) Je zegt nog enkele dingen, en stort je daarna op alle kopjes en glazen die moeten worden opgeruimd en die je door de gang kunt rollen met dat karretje en die je in de afwasmachine kunt zetten. Ver weg dus, van dat alles. Als je terugkomt, sta je nog te beven. Als je twee uur later thuis staat te koken, is het alsof je handen nog altijd trillen. Misschien ben je te moe, en raakte het je daardoor dubbel zo hard. Je weet het niet.

En je wou iets kunnen doen. En het lijkt zo bijna een cliché. Dat je uiteindelijk eten gaat maken. Om te kunnen brengen de volgende dag. Dat je niets kunt doen, maar dat je misschien toch dat kunt doen. Zorgen voor iemand die zorgt. Zou dat al een heel klein beetje genoeg zijn? Nee, nooit, denk je. Maar je weet niet wat anders te doen.

En op het werk, die namiddag. Die hele tekst moet nog klaar. Je had het je voorgenomen, dus zal het ook zo gebeuren. Je wilt het uit je systeem, voor het weekend begint. En die namiddag is er naast het werk die mooie muziek, die bij deze dag hoort. De drie cd’s na elkaar. Het slotkoor doe je twee keer. De tweede keer als de tekst klaar en verstuurd is, en je bureau weer helemaal netjes opgeruimd. Klaar om te vertrekken. Alleen nog een tweede keer dat slotkoor. En je buigt het hoofd voor zoveel overweldigende, desolate en toch ook diep troostende schoonheid. Straks zul je even wankelen op het perron.

En de volgende dagen zul je af en toe kijken naar het zuiden, en even wuiven.

4 opmerkingen:

Ernst GÜLCHER zei

ja, jan, het valt niet altijd mee!

sterkte, ernst

Uvi zei

Dag Jan,
van oost naar west ...
tot aan het zuiden. Wuif ik je ...



PS.
Hoe zou het met 'Sunflower' zijn?
Ik klikte zonet via jouw link haar Blog aan.

Zo bibberkoud stil. Ook daar geen lente?

Tricky zei

komt weer heel erg binnen jan!
@uvi, ook hier helaas nog niet echt lente, de inspiratie voor een blogje laat me nogal in de steek! maar ik ben er nog hoor!

Jan Mertens zei

Dankjewel voor de mooie reacties, en gelukkig is iedereen er nog...